HomeOnderwerpenKort geding

Kort geding


Veel rechtszaken op het gebied van intellectuele eigendom, media en mededinging worden beslist in kort geding. Een kort geding is een spoedprocedure bij de voorzieningenrechter van een rechtbank  die veel sneller gaat dan een gewone bodemprocedure.
Meestal wordt de tegenpartij eerst gesommeerd, schriftelijk verzocht om vrijwillig aan de eisen te voldoen. Daarna wordt er op grond van een concept-dagvaarding bij de rechtbank een datum gevraagd voor de mondelinge behandeling van het kort geding, de zitting. Daarna wordt definitieve dagvaarding door een deurwaarder uitgebracht aan de gedaagde. Beide partijen kunnen voorafgaand aan de zitting bewijstukken toesturen aan de rechtbank en aan de tegenpartij. Op de zitting krijgen beide partijen de gelegenheid hun standpunt toe te lichten, hun vorderingen toe te lichten of verweer te voeren. De gedaagde kan ook (tijdig) een tegenvordering instellen. Meestal doet de voorzieningenrechter op een termijn van twee weken uitspraak. Daarna is het mogelijk om binnen vier weken in hoger beroep te gaan. Een hoger beroep leidt er niet toe dat de beslissing wordt opgeschort. De beslissing heeft onmiddellijke werking vanaf het moment dat het vonnis aan de tegenpartij wordt betekend door een deurwaarder. Op de nakoming van de verplichtingen van een kort geding vonnis staan meestal dwangsommen.
In mediazaken, waarin bijvoorbeeld een uitzendverbod wordt gevraagd, is een kort geding op een termijn van enkele dagen of zelfs uren mogelijk en wordt vrijwel direct uitspraak gedaan.
Zodra bekend is dat een tegenpartij een advocaat heeft is de advocaat van een eiser in principe verplicht om rekening te houden met de verhinderdata van de andere advocaat. Daarom is het verstandig om, wanneer een kort geding dreigt, de naam van uw advocaat aan de tegenpartij bekend te maken. Doet u dat niet, dan is de tegenpartij niet verplicht met de verhinderdata van uw advocaat rekening te houden.
Een beslissing in kort geding is slechts een voorlopige voorziening. Dit betekent dat na een kort geding in een IE-zaak altijd een bodemprocedure moet worden ingesteld. Dit moet binnen een termijn van een maand, danwel binnen een andere door de rechter bepaalde termijn. Gebeurt dat niet, dan vervalt de voorlopige voorziening van het kort geding. Dit volgt uit artikel 1019i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Vaak worden zaken na een voorlopige voorziening in kort geding tussen partijen geschikt.